Het was zo’n ochtend waarop het bos stil lijkt te wachten. Geen wind, geen stemmen, geen verre tractor of jogger met te strakke leggings. Alleen dat doffe, zachte geluid van mijn stappen in nat gras. En Baziel. Altijd Baziel.
Hij liep voor me uit, snuffelend, neus laag tegen de grond, zoals het een Český Fousek betaamt. Volledig in werkmodus. Staart half omhoog, schouders breed, alsof hij elk moment een everzwijn kon tegenkomen in plaats van een verroest blikje Cara pils.
We wandelden over het open stuk waar het gras tot aan mijn knieën groeit en de zon het dauw nog niet had weggebrand. Zo’n plek waar je automatisch trager gaat stappen. Waar je denkt: ja, dit is het. Dit is waarom mensen veldwachter willen worden en geen middle management.
Alles rook fris. Groen. Levend. Tot Baziel plots bevroor.
Geen blaf. Geen grom. Geen “HIER IS IETS!”-energie. Gewoon complete systeemfout. Zijn neus werkte overuren. Snuffel links. Snuffel rechts. Snuffel nog eens: Niks.
Ik zag het gewoon gebeuren: zijn hele wereldbeeld dat instortte. Want Baziel vertrouwt op één ding: geur. Geur is zijn Google maps, zijn Strava.
Maar plots… geen data. Ik volgde zijn blik. Eerst zag ik niks. Gewoon gras. Dauwdruppels. Nog meer gras.
Tot ik het doorhad. Daar lagen ze. Bolletjes zo groot als mijn vuist. Perfect ingeplugd tussen twee stugge graspollen. Minihaasjes. Niet groter dan een appel en zo stil dat het leek alsof iemand het op pauze had gezet.
Baziel keek ernaar alsof hij inwendig aan ChatGTP hulp aan het vragen was.
Ik zag hem denken. Letterlijk. “Speeldingetje in zicht.” en “Geur niet gevonden dus het is er niet…maar ik zie het?!“
Want ja, jonge haasjes geven de eerste weken géén geur af. De natuur heeft gewoon gezegd: weet ge wat, we zetten ze op vliegtuigmodus.
Ik floot zacht en hij kwam mee. Onderweg keek hij nog één keer achterom. Zo’n blik van: “Zeg mij dat ge dat ook gezien hebt, want anders moet ik met pensioen.”
Die haasjes hadden net een hoogopgeleide jachthond compleet belachelijk gemaakt. Ik liep daar dus als trotse begeleider van een topspeurder, in existentiële crisis weliswaar, mijn beste vriend.
